HET CHARISMA VAN DE CONGREGATIE IN NOORD EUROPA
Enkele nieuwe uitdagingen voor de toekomst

Toespraak van p. Juan M. Lasso de la Vega y Miranda C.Ss.R.
gehouden tijdens de Redemptoristendag te Wittem op 21 juni 2005

 

Inleiding

In de huidige situatie van de kerk in onze landen is de eerste vraag die opkomt deze:

Om het antwoord te vinden op deze vragen volstaat het niet - dunkt mij - om de statistieken te bestuderen, ook al helpen deze ons om antwoorden te zoeken.

De Redemptoristen zijn altijd bekend geweest als missionarissen van het Woord. De Verlossing voortzetten door de verkondiging van het Woord is de kern van ons charisma. Het beeld van Jezus op weg naar Jeruzalem om er zijn Pasen te vieren en het Woord van het Koninkrijk te prediken is de typische icoon van de Redemptoristen. Het Woord is vol leven, en, daarom, vol van toekomst; het Woord kan niet sterven. Sterven zullen vele instituties en structuren, maar het Woord is eeuwig, en zal altijd het vlees geworden Woord blijven. Ook al heeft geen enkele congregatie het privilege van eeuwig leven, het charisma van een Congregatie die het Woord verkondigt zal altijd toekomst hebben.

De huidige crisis van het religieuze leven is niet een subjectieve crisis, niet een emotionele toestand van de religieuzen, die morgen weer zou kunnen veranderen. De crisis is objectief en reëel, vrucht van de nieuwe sociaal-culturele en kerkelijke situatie. De moderne wereld staat niet zó open voor de verkondiging van het Evangelie als het Tweede Vaticaans Concilie te denken gaf in de Constitutie 'Gaudium et Spes'. De crisis van het religieuze leven is een "reële" crisis, die de realiteit weerspiegelt. Het is een objectieve crisis die "objectief" behandeld moet worden en die ons verplicht enkele van onze overtuigingen in twijfel te trekken en opnieuw te overdenken. In het verleden was twijfel een teken van onzekerheid en zwakheid. Vandaag is iemand die zeker van zijn zaak is, iemand die van de twijfel een kritische en constructieve houding weet te maken. Onze aanwezigheid in een laïcale cultuur, waarin de Kerk een minderheid is, zal een zeer verschillende zijn. De inculturatie in deze cultuur is een blijvend en moeizaam proces, dat onze trouw aan het Evangelie en aan de mens van vandaag op de proef stelt. In deze cultuur moet het Evangelie op een nieuwe wijze verkondigd worden, zoals Sint Clemens reeds zei in zijn tijd.

Onze provincies in West Europa ondergaan momenteel een crisis, die bestaat in een sterke teruggang in aantal. Deze teruggang lijkt niet van voorbijgaande aard te zijn, maar onomkeerbaar. Ook het aantal katholieken in Europa vermindert voortdurend. Een tegenovergestelde reactie is niet te voorzien. Het is een algemene en zeer complexe situatie. Wij kunnen deze werkelijkheid niet beheersen om zodoende de toekomst van de Congregatie te verzekeren. Wat we echter wél in de hand hebben, is onze houding tegenover deze werkelijkheid; wij kunnen van deze getalsmatige teruggang ofwel een tijd maken van desillusie en passiviteit, ofwel een tijd van onderscheiding en hoop. De beslissing is aan ons en wij moeten een uitdrukkelijke keuze maken.

Het tweede deel van de titel is: enkele nieuwe uitdagingen voor de toekomst. Ik ben er van overtuigd dat het niet nodig is de uitdagingen van het religieuze leven te vermenigvuldigen. Psychologen zeggen dat het hebben van een paar uitdagingen een aanmoediging is voor de toekomst, maar het hebben van vele uitdagingen schept verwarring en versnippering en veroorzaakt schuldgevoelens. Van de andere kant, veel van de uitdagingen die tegenwoordig aan het religieuze leven gesteld worden zijn uitdagingen tot overleven in de nabije toekomst, maar geen uitdagingen tot creativiteit, die een andere ontwikkeling bevorderen van het eigen charisma. De uitdagingen tot overleven verlengen het actuele onbehagen. De redemptoristen moeten wegen zoeken die een nieuwe belofte van leven inhouden. De toekomst kunnen wij niet afwachten, maar moeten wij scheppen. Zij die zich tevreden stellen met het wachten op de toekomst, hebben geen toekomst; wanneer de toekomst niet geschapen wordt in het heden, verandert zij in angst Dat zijn houdingen en instituties van het verleden die behoren tot de religieuze archeologie.

Ik heb drie uitdagingen gekozen die mij van belang lijken om te kijken naar de toekomst van het charisma van de Congregatie in onze provincies van Noord Europa, volgens dit schema:

1. Een profetische minderheid worden met kwaliteit van leven

2. De uitdaging tot institutionele omschakeling ('reconversie')

"Kwaliteit van leven" is een uitdrukking uit de wereld van de publiciteit. De kwaliteit van leven bevorderen is het ideaal van de moderne cultuur, vooral in de samenleving van het welbevinden en van de marktcultuur. De programma's van sociale actie presenteren altijd de kwaliteit van leven als het fundamentele doel. Kwaliteit van leven betekent goede fysieke gezondheid, overvloed aan materiële goederen, tijd voor ontspanning, sociale erkenning...

Het religieuze leven doet er goed aan onze kwaliteit van leven te bevorderen. Maar niettemin, de ondervinding zegt ons dat de goederen die de consumptiemaatschappij te bieden heeft, niet volstaan om kwaliteit van leven te garanderen; de kwaliteit van menselijk leven heeft andere inhouden nodig. Het eerste is: het vinden van een doel om voor te leven; in vrede leven en tevreden zijn met het eigen bestaan en met de eigen beroepsarbeid, in alle sereniteit naar de toekomst kijken. Het fundamentele probleem, dat meer en meer depressiviteit bij mensen teweegbrengt, is het ontbreken van de zin van het leven.

Zoals het volk van Israël in de ballingschap, zo beleven ook wij de ervaring van een kleine rest te worden. In de geschiedenis van Israël was de kleine rest het begin van een nieuwe aanwezigheid van God. Het volk werd zich meer bewust van zijn zending en zijn profetische identiteit als volk van het Verbond kwam tot rijpheid. De Congregatie van West Europa zal nog meer een kleine rest worden, maar zal ook een meer profetische invloed hebben als zij er in slaagt de kwaliteit van haar leven te vermeerderen. Wij zullen niet meer de protagonisten zijn van grote evenementen, zoals wij in het verleden waren, maar wij kunnen gist zijn van goede kwaliteit in de grote massa van de mensheid. In de huidige spiritualiteit van het Godgewijde leven zijn belangrijk de woorden: gist, zout, teken, principe van het kleine getal, rest.

Deze laatste woorden moeten niet een zichzelf rechtvaardigende ideologie worden. De getalsmatige minderheid temidden van een christelijk onverschillige meerderheid zou een betekenisvolle minderheid moeten zijn. Onze situatie als kleine rest aanvaarden betekent het aanvaarden van de consequenties van een minderheid te zijn en betekenisvol te zijn. Om de consequenties te aanvaarden van een minderheid te zijn, volstaan niet een simpele aanpassing of reductie van onze werkzaamheden of van ons bestuur. Dat zou alleen maar leiden tot een louter overleven. Als we in een kerk, die in staat van missie verkeert, voorzetters zouden zijn van de kerk als louter maatschappelijk instituut, zou dat het profetisme van de minderheid tenietdoen.

Betekenisvol zijn, als minderheid, is een universeel streven van het religieuze leven. Het internationale congres, gehouden te Rome in november 2004, kende dit streven en houdt ons een weg voor die er in slaagt de oude dualismen uit het verleden te vermijden - dualismen tussen toewijding en zending - en die ons helpt om een intelligente synthese te scheppen om zodoende en gekwalificeerde minderheid te worden. De parabel van de Samaritaanse die in de dialoog met Christus ontdekt dat Hij de Messias is, is niet voldoende; nodig is het om deze te verbinden met de parabel van de Samaritaan, die alles doet om de arme mishandelde reiziger te helpen. Onze kwaliteit van leven heeft beide parabels nodig. De parabel van de Samaritaanse kan ons helpen om God de Hem toekomende plaats te geven en die van de Samaritaan om onze missie als betekenisvolle minderheid opnieuw te overdenken.

De kwaliteit van leven en de transcendentie van God

De kleine rest van Israël werd door de profeten er toe gebracht te aanvaarden dat alleen God God is. Deze overtuiging moet aanwezig zijn wanneer wij spreken over de toekomst van ons charisma en onze Provincies. De kern van de profetische openbaring was het volk aan te sporen om zich tot God te keren, en de aanbidding van de afgoden die de plaats van God hadden ingenomen te verlaten. Alleen God is God.

God kan niet vervangen worden door bemiddeling, door middel waarvan hij zich tegenwoordig stelt. Bemiddeling is van belang, maar het is niet mogelijk een relatie met God te hebben buiten zijn bemiddeling om; dit zou een gedesincarneerd spiritualisme zijn. Niets is vreemd aan God. Maar onze cultuur is niet God; het werken voor gerechtigheid is niet God, de bevordering van menselijke waardigheid is niet God, onze provincie is niet God, onze Congregatie is niet God. Niets is vreemd aan God, maar alleen God is God

Het is gemakkelijker de bemiddelingen te overdenken dan opnieuw onze vitale relatie met God te overdenken. Over de bemiddelingen hebben wij een meer onmiddellijke controle, die ons zekerheid geeft en ons tot hoofdpersonen en meesters maakt van deze bemiddelingen - zoals wij dat in het verleden waren. In de tijd van Jezus bemiddelden de sabbat en de tempel, die zich als iets absoluuts presenteerden waarmee men macht kon uitoefenen over het volk. De tempel, de sabbat, de wet, de structuren: zij zijn niet God.

De directe ervaring van God zal altijd belangrijker zijn in een gemeenschap als de onze, die ervaringen en gevoelens cultiveert. Vandaag is voor veel christenen het gelaat van Christus steeds vager geworden en ver weg; zijn boodschap begunstigt niet het huidige individualisme, noch de dramatische sociale ongelijkheid, noch het terrorisme, noch de oorlogen. Zonder een persoonlijke relatie met God, kunnen wij wel een leer verkondigen maar zullen wij er niet in slagen een sociale omvorming te bewerken.

Wij kunnen het theologale leven niet scheiden van de antropologie, maar evenmin kunnen wij het ene tot het andere herleiden; evenmin kunnen wij de theologie reduceren tot sociale ethiek; alles heeft zijn eigen rol. Wij kunnen het theologale leven niet scheiden van de persoonlijke en gemeenschappelijk engagement met de geschiedenis, maar wij kunnen ze evenmin identificeren. Integratie is een teken van rijpheid, maar alleen God is God.

"Als gij niet standvastig gelooft, houd gij geen stand" (Jesaja 7,9). Hoe kunnen we standhouden als minderheid, temidden van grote meerderheden die zich oriënteren in tegenovergestelde richting? Tegenwoordig moeten wij afstand doen van vele vormen van leven, die ons gedurende eeuwen gekarakteriseerd hebben en ons vruchtbaar hebben gemaakt in de Kerk, maar nu geen bronnen meer zijn voor kwaliteit van leven. Onze levenswijzen zijn niet God en moeten niet zijn plaats innemen. God de plaats geven die Hem toekomt, betekent een spiritualiteit van de minderheid bevorderen die een vorm van leven is in een gelaïciseerde maatschappij. Ik denk dat de toekomst van ons redemptoristisch charisma, vooral in onze provincies van Noord Europa, gemarkeerd door secularisatie, door dit proces van verheldering heen moet. Alleen God is God.

De kwaliteit van leven en de zending  

Het professionele werk maakt deel uit van de kwaliteit van leven. In deze tijd van verandering en numerieke teruggang is het gebrek aan zin vaak te wijten aan gebrek aan zending. Wij moeten kwaliteit van leven niet alleen en vooral vereenzelvigen met de mogelijkheid tot werken of met professionele efficiëntie. Om de kwaliteit van leven te verzekeren moet echter wel ieder zijn zending vervullen, op ieder moment van het leven, rekening houdend met zijn leeftijd, zijn gezondheid en al zijn persoonlijke situaties. De zending zal altijd bron zijn van waardigheid voor de persoon. Een leven zonder werk, of met werk in deeltijd, verliest kwaliteit.

Ik denk dat het geen goede houding zou zijn te wachten op de meest gunstige omstandigheden om onze zending te vervullen. Deze omstandigheden kunnen niet op tijd arriveren. De uitdaging is dan altijd om onze zending goed te vervullen, ook als de omstandigheden niet gunstig zijn. Het kan zijn dat de zending voor velen van ons meer een charismatische zending is van evangelisch getuigenis dan een zending van professionele activiteit; het waarachtige getuigenis is meer overtuigend dan het pure activisme. Een gelaïciseerde maatschappij accepteert eerder getuigenissen dan leermeesters, en als zij leermeesters accepteert is het omdat zij getuigen zijn. De zending van het religieuze leven is niet hetzelfde als de som van apostolische werkzaamheden. De zending tot getuigen is méér dan de pastorale taken.

In ieder geval kunnen wij het redemptoristisch leven niet begrijpen zonder zending. In de hedendaagse literatuur over het religieuze leven wordt gezegd dat de zending van het religieuze leven vooral moet bestaan in het zijn van religieus leven en evangelisch leven. Maar dit is niet voldoende. Het zijn heeft geen zin als het zich niet manifesteert in het handelen. Ons leven moet een dienst zijn van missionaire solidariteit, vooral ten opzichte van de zwaksten in de maatschappij en het heeft pastorale strategieën nodig die kwaliteit van redemptoristisch leven produceren.

Het laatste Generaal Kapittel heeft als thema voor dit sexennium voorgesteld: "het leven geven voor overvloedige verlossing" en heeft het Generaal Bestuur opgedragen het proces van herstructurering van de Congregatie voort te zetten. Deze beide voorstellen moeten geïntegreerd worden: de fundamentele inspiratie voor de herstructurering moet onze concrete zending zijn in onze actuele context. De herstructurering heeft als eerste doel de efficiëntie van ons apostolisch charisma en de kwaliteit van ons missionair aanbod. In een in sociaal-cultureel opzicht verschillende maatschappij, moet ook het pastorale aanbod verschillend zijn, opdat het op de markt zijn intrede kan doen.

Het eerste doel van de herstructurering is dus niet het bestuur te vereenvoudigen, maar het redemptoristisch charisma te consolideren in de nieuwe kerkelijke en sociale verhoudingen. In de laatste jaren hebben wij veel energie besteed om te kunnen onderscheiden hoe de missionaire verkondiging van het Woord zou moeten zijn in onze maatschappij. Nu opent de herstructurering voor ons een andere weg van reflectie, die we zouden kunnen noemen "de institutionele omschakeling".

•  De uitdaging van de institutionele omschakeling

Tegenwoordig wordt het woord 'omschakeling' ('reconversie') vaak gebruikt in de wereld van de industrie en betekent: transformatie en modernisering om grotere effectiviteit te verkrijgen.

De uitdaging van de institutionele omschakeling is niet een theologische weg, maar dat betekent niet dat het om een secundaire weg gaat. Zonder deze weg te gaan zal het niet mogelijk zijn te beantwoorden aan onze pastorale noden. Dit is een seculiere uitdaging, maar een wezenlijke voorwaarde om te kunnen beantwoorden aan de evangelische uitdagingen. Instituties en structuren kunnen ons helpen onze zending te vervullen, maar zij kunnen ook een obstakel vormen.. Soms is het onontkoombaar deze weg van institutionele omschakeling te gaan om de identiteit van het apostolisch leven te vernieuwen. De institutionele omschakeling is noodzakelijk opdat de idealen van de congregatie gerealiseerd kunnen worden in overeenstemming met onze historische verplichtingen. Deze omschakeling lijkt ook een permanente strategie van het bestuur te zijn in Constitutie 96.

Gewoonlijk komen we op dit gebied méér moeilijkheden en weerstand tegen dan wanneer we spreken over de theologie van het religieuze leven. De theologische uitdagingen van het religieuze leven laten zich manipuleren met eufemistische bewoordingen; instituties zijn een zichtbaar feit, waarover niet met esthetische woorden gesproken kan worden. Tegenwoordig is er veel esthetische literatuur over het religieuze leven. Het probleem van het religieuze leven is theologisch, maar ook institutioneel.

Ook in onze provincies zonder roepingen moeten wij opteren voor het leven en voor de hoop nieuwe wegen te vinden voor de verkondiging van het Woord en voor de kwalificatie van personen en apostolische communiteiten. De herstructurering is niet een prijs die we moeten betalen omdat het slecht met ons gaat, doch een inspanning om nieuwe horizonten te openen voor ons charisma, rekening houdend met onze situatie van minderheid

De structuren zijn ontstaan als noodzaak tot ontwikkeling van het charisma in de historische context van de stichting en zij zijn ontwikkeld om de groei en de stabiliteit van het charisma te waarborgen. De structuren hebben het charisma niet geschapen. Het is juist omgekeerd: het charisma heeft de structuren geschapen. Het is onmogelijk dat er een gemeenschappelijk charisma bestaat zonder structuren, maar het charisma heeft altijd voorrang op de structuren. Ook vandaag moet het charisma de structuren scheppen die het nodig heeft om effectief te zijn. De inculturatie van het charisma in onze samenleving is ook een institutioneel feit.

Ik denk dat de inhoud van deze twee woorden, institutie en structuur, veelomvattend is en niet teruggebracht zou moeten worden tot fusie of opheffing van provincies of tot de huidige samenstelling van de zes regio's waarbinnen de interprovinciale samenwerking voornamelijk georganiseerd is. De institutionele omschakeling raakt ook ons model van apostolische communiteit. Het traditionele model of het liberale model van communiteit zou moeten verdwijnen om de weg vrij te maken voor een ander model, waarvan we nu nog niet weten hoe het er zal uitzien, maar dat velen het 'evangelisch model' noemen. Wat we weten is dat voorgaande modellen geen enkele missionaire uitdaging betekenen, met name niet voor de jongeren van vandaag; zij voelen zich niet aangetrokken door onze stijl van leven. Het is niet voldoende de oude levensvormen met meer radicaliteit te beleven zoals sommigen bewegingen in de Kerk tegenwoordig voorstellen. Ons huidige probleem bestaat er niet in om méér radicaliteit te brengen in de vormen uit het verleden; dit 'evangelisch' model zou de trouw aan het evangelie beter moeten combineren met de intelligente trouw aan de mens van vandaag.

De vernieuwing van de personen moet op een speciale manier behartigd worden gedurende dit proces van institutionele omschakeling. Hoewel de herstructurering veeleer een administratief proces is, is het niet voldoende de instituties te vernieuwen. Structuren en personen staan ten dienste van de zending, en de personen zullen altijd belangrijker zijn dan de instituties. Tegenover het primaat van de instituties moeten wij opnieuw het primaat van de personen bevestigen en gedurende dit proces de pedagogie van persoonlijke betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid koesteren. Een menselijk klimaat scheppen van dialoog binnen de communiteiten zal altijd een wezenlijke voorwaarde zijn om tot een institutionele omschakeling te kunnen komen. De omschakeling is het werk van personen èn communiteiten die niet alleen ideeën hebben, maar ook gevoelens.

Internationalisering en interculturaliteit van onze communiteiten zullen noodzakelijk zijn voor de institutionele omschakeling van onze provincies. Ik denk dat het overschrijden van de nationale en culturele grenzen een wezenlijke voorwaarde zal zijn voor de revitalisering van de redemptoristische zending in Europa. Deze internationalisering zou ook geboren moeten worden uit de zending van de Congregatie en haar antwoord op de ware pastorale noden van onze landen. Een zo internationale congregatie als de onze heeft vele mogelijkheden die de lokale Kerken niet hebben. In een pluriculturele maatschappij moet ook het pastorale aanbod pluricultureel zijn en het moet ook op een pluriculturele manier gebracht worden.

Het komt mij voor dat deze nieuw te bewandelen weg het beste wordt samenvat in het woord: "missionaire solidariteit". De solidariteit en een nieuwe cultuur in onze wereld, is niet alleen een methodische strategie om oplossingen te vinden voor de grote problemen voor de mensheid. Als Redemptoristen moeten wij ons deze nieuwe cultuur, die groeiende is, goed ten nutte maken.

Ook komt het mij voor dat het charisma díe instituties moet scheppen die het nodig heeft om werkzaam te kunnen zijn in de Kerk. Het charisma moet niet geconditioneerd worden door de huidige structuren. Tegenover de huidige decentralisering van de congregatie is het noodzakelijk nieuwe modellen te vinden van grotere solidariteit die ons helpen te groeien in onze missionaire medeverantwoordelijkheid. Ik denk dat de huidige decentralisatie niet veel toekomst heeft; zij is geboren in een context van optimisme en heeft goede vruchten doen rijpen van groei en ontwikkeling; zij is ontstaan omdat het noodzakelijk was voor onze zending en zij ons geholpen heeft de steriele uniformiteit van het verleden te overwinnen. Maar ik denk dat haar tijd, minstens in haar actuele vormen, voorbij is, en dat zij er eerder toe bijdraagt de effectiviteit van onze zending te vertragen.

Ook de realiteit van de globalisering heeft haar invloed op de organisatie van onze instituties. Zonder in het oude model van centralisatie te vervallen zouden wij een nieuwe weg moeten vinden die de interprovinciale en internationale samenwerking begunstigt als een normaal feit - en niet als strategie voor uitzonderingsgevallen in moeilijke situaties. De decentralisatie komt de lokale medeverantwoordelijkheid ten goede, maar begunstigt niet de universele medeverantwoordelijkheid tegenover de pastorale problemen van de wereld. In onze wereld, gekenmerkt door globalisering, moeten wij onze missionaire gevoeligheid niet beperken tot de behoeften van onze plaatselijke kerk of van onze plaatselijke Congregatie. Wij hebben een nieuwe instelling nodig, ook al zal deze nieuwe instelling nieuwe risico's met zich meebrengen. Deze instelling zou niet de medeverantwoordelijkheid van iedereen moeten opofferen, zij zou grotere ruimte moeten bieden voor onze medeverantwoordelijkheid, met behoud van de verschillen die bestaan in een congregatie die aanwezig is in 77 landen. Die verscheidenheid is altijd bron van rijkdom. Maar de poolster die onze congregatie moet gidsen is de eenheid in haar zending. Eenheid in verscheidenheid, niet eenheid in uniformiteit. Her charisma moet een band van eenheid vormen die sterker is dan de nationaliteit. Belangrijk is dat de Congregatie een helder zicht heeft op haar zending en dat zij haar gemeenschappelijke projecten kan realiseren, ook als zij daarvoor enkele provinciale projecten zou moeten opofferen.

•  De apostolische medeverantwoordelijkheid van de leken redemptoristen

Ik heb als derde uitdaging gekozen de missionaire medeverantwoordelijkheid van de leken redemptoristen omdat wij noch de Kerk noch de Congregatie zonder hen kunnen begrijpen. Het nieuwe identiteitsbewijs van de Redemptoristen hangt misschien van hen af. In een minderheidskerk zal de gespecialiseerde pastoraal van de kleine groepen een mogelijke manier zijn, en wellicht de enige, om er voor te zorgen dat ons charisma van de prediking werkelijke invloed kan hebben in ons cultureel milieu.

Het streven om een hoofdrol toe te kennen aan de leken, dat ook in onze congregatie in opkomst is, is een bewijs van de vruchtbaarheid van het charisma van Sint Alfonsus. De afwezigheid van leken zou een teken zijn van de onvruchtbaarheid van dat charisma. Een congregatie, die niet in staat is leken te interesseren en met hen medeverantwoordelijkheid te delen, loopt het risico slechts een historische herinnering te worden, niet in staat nieuwe kerkelijke vertrekpunten te scheppen en een nieuwe evangelisatie te beginnen. Er zijn personen die zich geroepen voelen om het charisma van de congregatie te reproduceren in de vorm van het laïcale leven.

Joannes Paulus II zei tot ons Generaal Kapittel:

"Deel uw charisma met de leken, opdat ook zij bereid zijn hun leven te geven voor overvloedige verlossing. Zo zal uw apostolische aktie een dienst zijn aan de cultuur, de politiek, de economie en het gezin." (nr. 5)

Meer dan tweehonderd jaar geleden besteedde Sint Clemens zijn beste krachten aan de vorming van kleine groepen van leken om hen meer bewust te maken van hun zending. Behalve het volgen van Christus stelden zij zich tot doel te strijden tegen het ongeloof van die tijd, het getuigenis te geven van hun leven, en de verspreiding van het katholieke boek. Zij werden 'oblaten' genoemd. Sommigen van hen waren zeer actief in het sociale leven; hun werkterrein was het eigen gezin, het beroep, het bestuur, de universiteit of de diplomatieke dienst. Dit was voor Sint Clemens een manier om het evangelie te preken op een nieuwe manier. 29 juli 1804 ontvingen zij de goedkeuring van paus Pius VII.

De apostolische medeverantwoordelijkheid van de leken zal ons helpen om ons charisma opnieuw te interpreteren, met nieuwe perspectieven. Deze zullen ons brengen naar een nieuwe, minder klerikale en meer seculiere, visie van ons ministerie.

In deze tijd van crisis en terugval zou het een gevaar kunnen betekenen wanneer wij leken in onze congregatie zouden inlijven om onze instituties te kunnen handhaven alsmede onze activiteiten, die natuurlijk - zo goed als allemaal - behoren tot de groep die wij binnenkerkelijke activiteiten kunnen noemen. De lekemissionaris van de Allerheiligste Verlosser zal men niet moeten identificeren met de leek die meewerkt in de priesterlijke bediening. Hun activiteit zal bovenal gerealiseerd moeten worden in de seculariteit, dat wil zeggen in de seculiere wereld, in de politiek, in de economie, in de beroepsuitoefening, het gezinsleven en het sociale leven. De leek die full time leeft temidden van de problemen van de maatschappij heeft een eigen zending tot evangelisatie die alleen hij kan verwerkelijken. Belangrijk is dat zijn zending geïnspireerd wordt door de geest van de H. Alfonsus, met een pastorale gevoeligheid jegens de armen en degenen die in de maatschappij worden buiten gesloten, en in verbondenheid met zijn broeders redemptoristen. De bevordering van sociale gerechtigheid, de cultuur van de solidariteit en het leven, de beroepsethiek, de gezinspastoraal, enz. ... dat zijn de apostolische taken die de leken op zich nemen als deel van het Alfonsiaanse charisma. De leken mogen de 'seculariteit' van hun zending niet verliezen.

De leken nemen in volheid deel aan onze spiritualiteit en zending, en zij moeten zich verantwoordelijk voelen voor ons charisma. Dit is een nieuwe uitbreiding van ons charisma, dat eigen instituties nodig heeft om geconsolideerd te worden. Zonder instituties verdwijnt het charisma. Misschien is de eerste stap in deze richting het aanpassen van onze instituties aan deze nieuwheid van medeverantwoordelijkheid van leken; iets wat niettemin, een tijdelijke en onvolmaakte oplossing is. Hier rijst een vraag: zal de tegenwoordigheid van leken ons brengen tot méér radicale veranderingen in de instituties van het Godgewijde leven? Zullen wij in staat zijn gemeenschappelijke instituties te scheppen die de groei van de religieuze en laïcale leven tegelijkertijd kunnen verzekeren, en niet als twee parallelle roepingen? Ik denk dat de charismatische aanwezigheid van de leken-redemptoristen wezenlijke veranderingen tot stand zal brengen in onze institutionele structuren. Instituties zijn noodzakelijk wanneer zij de ontwikkeling van onze zending dienen. Het charisma moet die instituties in het leven roepen die het nodig heeft om nu effectief te zijn in de maatschappij. Het charisma van de Congregatie is eigendom van de Kerk, het is niet exclusief óns eigendom.

Conclusie

Het ontwikkelen van een gelovige hoop is absoluut noodzakelijk, willen wij deze uitdagingen kunnen aangaan. Wij zijn niet gediend met om het even welk type hoop: alleen de christelijke hoop kan ons van dienst zijn. Minderheden hebben nooit een gemakkelijke weg bewandeld. Ons sociale en kerkelijk panorama nodigt ons niet uit tot hoop. In onze wereld zijn niet alleen de technologie en de economie geglobaliseerd, maar ook de onzekerheid en de angst.

Een waarachtige gelovige hoop eist van ons dat wij onze capaciteiten en onze structuren gebruiken als stonden ons geen goddelijke middelen ter beschikking. Dit is een zin van een ascetisch Spaans schrijver uit de tijd van de H. Theresia en Hieronymus Gratianus. Wij kunnen niet aan God toevertrouwen wat WIJ moeten doen.; het is niet voldoende te zeggen dat wij in Gods hand zijn. Ons dient noch een voluntaristisch ascetisme, noch een abstract spiritualisme, maar een gelovige hoop, ook al zien wij niet het succes van onze werkzaamheden zoals wij die gezien hebben in het verleden. In plaats van een cultuur van tradities moeten wij een cultuur van vernieuwing ontwikkelen. De toekomst zal niet geschapen worden door God, zij zal geschapen worden door God mét ons. De getalsmatige teruggang is niet een teken van de afwezigheid van de H.Geest in ons leven en de getalsmatige groei is niet van zelf een teken van zijn tegenwoordigheid.

Het zou niet goed zijn iets van buitenaf op te leggen; het nieuwe moet geboren worden van binnen uit, vanuit de personen die zich vrij voelen en zoeken te groeien in hun vrijheid in het licht van het Evangelie. Dat is theologaal leven. Het theologale leven is niet een manier van bidden, maar een manier van zijn.

Er valt niet aan te twijfelen dat wij realist moeten zijn; realist zijn is echter nooit een uitnodiging tot fatalisme, doch een uitnodiging tot creativiteit. De realiteit moeten we bezien vanuit de hoop, niet vanuit de berusting. Soms ontbreekt ons een cultuur van de hoop. Wij moeten onze blik richten naar het verleden en ons aandeel als redemptoristen in de Kerk erkennen, maar de toekomst wordt geschapen vanuit het heden. De provincies van Noord Europa hebben het charisma van onze Congregatie doen leven in onze landen en zij hebben het zaad van het Evangelie naar de vijf continenten gebracht. Nú de Overvloedige Verlossing aanzeggen is een voortzetting van onze zending. De verkondiging van het Woord is vol toekomst.

Ik ben er van overtuigd dat de huidige vermindering in aantal en het proces van institutionele omschakeling geen nederlaag zijn voor de Congregatie, maar eerder een nieuwe oproep om Redemptorist te zijn en meer nabij te zijn aan onze mensen, zoals Sint Alfonsus dat was in zijn tijd. Die nabijheid was een karakteristiek van zijn eerste communiteiten en zij is nog altijd een inspiratie voor ons. Deze nabijheid, vol van gevoeligheid ten opzichte van het volk, zal een blijvende bron zijn van modernisering van onze provincies in Noord Europa.

Soms kunnen wij ons de vraag stellen: Waarom toch altijd praten over nieuwe risico's? De roeping is altijd een terrein van conflicten tussen God en onze verlangens. De roep van God verhindert ons heer en meester over ons eigen leven te zijn, om het in dienst te stellen van de Verlossing.

Wanneer wij spreken over de toekomst van onze Congregatie in Europa mogen wij het woord "twijfel" accepteren, maar alleen als een kritische en constructieve houding. De "twijfel" helpt ons om creatief te zijn in onze trouw aan ons charisma. Iemand die zeker is van zichzelf weet op tijd te twijfelen, om - ook op tijd - substantiële omvormingen te kunnen ondernemen die de toekomst van het charisma van de Congregatie veilig stellen.

Juan M. Lasso de la Vega

(vertaling: J. Konings C.Ss.R. Wittem)