Ik dank degenen, die het initiatief genomen hebben voor dit symposium. Want onze missieopdracht moet onze aandacht blijven krijgen, momenteel wellicht meer dan ooit. Dat het symposium aan mij aangeboden wordt, is een eer die ik graag breder wil interpreteren. Ik zie het als een honorering van al die collega’s, die – betaald en onbetaald – gewerkt hebben en nog werken in het missionaire veldwerk aan de basis. Ik ben namelijk van mening, dat het slagen van onze missieopdracht grotendeels afhankelijk is van dit onopvallende en vaak taaie werk, al moet het gesteund worden door wetenschappelijk onderzoek en reflectie en gedragen worden door het beleid van onze kerk en onze missionaire organisaties. Met dit uitgangspunt wil ik stilstaan bij mijn persoonlijke belevingen in de afgelopen periode tussen de missiebrief van 1974 en de nieuwe missiebrief van dit jaar 2006.
De titel van de nieuwe missiebrief ‘Getuigen van de hoop die in ons leeft’ riep warme verwachtingen in me op want als we in onze tijd ergens behoefte aan hebben is het wel aan ‘hoop’. Uit meerdere positieve reacties op de brief heb ik opgemaakt, dat ik in die verwachtingen niet alleen stond; anderen voelden zich door deze oproep kennelijk ook aangesproken. Maar de brief lezend daalde de temperatuur van mijn verwachtingen tot een lauwe hoogte door een opkomende twijfel, die de vraag in me opriep: Grijpt de brief terug op de periode van vóór 1974 en zijn we daarmee weer ‘terug bij af’ of zet hij ons toch ‘definitief over de drempel van een nieuw tijdperk’?
Het antwoord hierop heb ik nog niet gevonden en de vraag houdt me nog steeds bezig. Daarom voel ik me aangesproken door het pleidooi van Piet Leenhouwers in de Roerom (jrg. 21, nr 1, september 2006) om verder door te denken op deze brief. Ik citeer hieruit het volgende: “In het blad MV-NU (jrg. 23, nr. 3, 2006) van de Mariënburgvereniging besprak Lambert van Gelder de missiebrief. Mij trof zijn constatering, dat dit schrijven al na enkele maanden volkomen in de vergetelheid is geraakt… Dit document dus maar prijsgeven aan vergetelheid? Mijn inziens mag deze brief niet in vergetelheid raken. Omdat – zoals ik deze brief lees – onze bisschoppen er meer in zeggen dan ze mogelijk eigenlijk wel willen. Ik kom er uitdrukkingen en passages in tegen, die hoopvolle perspectieven openen voor een andere kijk op de toekomst van geloof en kerk.”
Hij licht dit dan verder toe en besluit zijn pleidooi aldus: “Om het nieuwe te typeren, gebruikten de bisschoppen in 1974 het beeld van een tandem… In de nieuwe tijd ‘zitten de jonge kerken steeds meer aan het stuur; de missionarissen achterop en zij trappen mee’. Brengt de missiebrief van 2006 ook een plaatsverwisseling op de tandem? Hebben degenen die tot nu toe aan het stuur zaten te scherp naar rechts gestuurd, waardoor gelovigen – achterop – vielen en gekwetst raakten? Zou deze brief er toch van getuigen, dat zich bij ons eenzelfde soort rolverschuiving zou kunnen gaan voltrekken: zelfbewuste gelovigen aan het stuur en de ‘geestelijke leiders’ een poosje achterop en meetrappen...?”
Hoewel deze suggestieve vraag nog een antwoord moet krijgen, brengt hij me op voorhand tot de volgende overdenking van mijn persoonlijke belevingen in de voorbije decennia.
Hoe beleef ik ‘religie en geloof’ in mijn leefomgeving?
Ik leef in een klooster en heb vele contacten met andere religieuzen. Ik verbaas me vaak over het geloofselan en de sterke betrokkenheid bij kerk en wereld, die onder velen van hen nog aanwezig zijn ondanks hun hoge ouderdom. Maar er heerst ook een zeker heimwee naar de daadkrachtige bevlogenheid van de vernieuwingspogingen in de zeventiger en tachtiger jaren en een pijn over het teleurstellende resultaat van die pogingen in de latere decennia, toen onze kerk geen aansluiting vond bij nieuwe geloofsvragen en bij het verdwijnen van de geloofscultuur in onze samenleving.
Ze beseffen daarbij, dat die uitkomst hun grotendeels overkomen is en dat hij niet toe geschreven kan worden aan eigen tekortschieten, al willen ze hun falen op bepaalde punten niet wegpraten. Want ze ervoeren onder andere binnen hun eigen familie- en kennissenkring, dat de kerkbetrokkenheid en het geloof bij een nieuwe generatie niet alleen verminderden maar op een onverklaarbare manier ook totaal verdampten. Ondanks de vaak grote inzet van de ouders om hun kinderen via een bijdetijdse catechese en een aangepaste geloofsbeleving in te leiden in de christelijke heilsboodschap, bleken hun kinderen dit niet te verstaan en er geen boodschap aan te hebben. Dit ervoeren ze ook in hun werk en hun ervaringen werden onderbouwd door wetenschappelijk onderzoek zoals van het Sociaal Cultureel Planbureau (zie het recente rapport “Godsdienstige veranderingen in Nederland”).
Op grond van deze ervaringen en wetenschappelijk onderzoek hebben religieuzen in de voorbije decennia dringend gepleit voor een open en uitnodigende kerk, die haar positie in onze samenleving kritisch zou durven te analyseren en aansluiting zou proberen te zoeken bij de zin- en levensvragen van de huidige generatie. Bij de leiding van hun kerk hebben ze daarvoor slechts matig gehoor gevonden en ondervonden ze vaak wantrouwen; dit ondanks de onweerlegbare feiten, waarop ze zich beriepen. Dat is en wordt door veel religieuzen en hun werkverbanden erg betreurd en heeft hun inzet belemmerd en ten dele verlamd. Maar hun pleidooi voor het gaan van deze weg wordt nog steeds gehoord en dat gebeurt naar mijn mening terecht om de volgende reden.
Dit pleidooi wordt in mijn aanvoelen sterk gemotiveerd door de vraag, die zich steeds dwingender aan ons opdringt: wat is er in onze cultuur zo diepgaand veranderd en wat betekent dit voor religie en geloofsbeleving in onze tijd? De discussie over ‘normen en waarden’ bleek bij de laatste verkiezingen het belangrijkste thema te zijn maar deze discussie komt niet toe aan de verheldering van het dieper liggend fenomeen van de secularisatiegolf die ons in de voorbije 50 jaar overspoelde, en van de momenteel optredende ‘terugkeer naar God’. In zijn reactie op het rapport van het SCP in Trouw op 5.09.06 gaat ook Jan Willem Wits voorbij aan deze vraag en reageert hij enigszins laconiek aldus op de aangereikte gegevens. “De traditionele aanbieders van religie, zegt hij, lijken steeds minder te voorzien in een behoefte. Aan God is onverminderd behoefte blijkt uit de cijfers, maar aan de kerk niet. Waarom niet, dat is een groot raadsel. De bisschoppen zetten in op evangelisatie.” Dat laatste is me duidelijk maar juist dat grote raadsel blijft me bezig houden.
Diepgaandere overwegingen reikt Anton Houtepen me aan in zijn studie in Religie en Samenleving (jrg 1, nr. 2, september 2006) onder de titel ‘De secularisatie in het Westen en de terugkeer van God’. “Velen vrézen," schrijft hij daarin: "de terugkeer van God en godsdienst in de samenleving en met name in de politiek.. Voor anderen is er reden om te juichen als in een overwinningsroes…Evangelicals en Pentecostals stellen jaarlijks hun groeicijfers naar boven toe bij op de relimarkt… Kerkleiders kijken met een mengelmoes van bewondering en jaloezie naar het succes van al deze religieuze bewegingen en haasten zich de formules ervan na te volgen in jongerendagen, alfacursussen en allerhande nieuwe vormen van religieus engagement.” En hij concludeert dan: “Zowel vanwege de ambivalenties van het secularisatiebegrip als vanwege de tegengestelde appreciatie van het begrip ‘de terugkeer van God’, zouden we eerder dienen te spreken van een langzaam proces van metamorfose van de Godsidee…Deze metamorfose heeft niet allereerst betrekking op nieuwe kerkvormen of aparte religieuze verschijnselen en rituelen, maar op een veranderend mensbeeld, waarin mensen persoonlijk een andere positie gaan innemen ten aanzien van de overheersende cultuur van berekening en nut, consumptie en controle… Godsdienst is niet een aparte sector van het leven, maar het leven zelf in al zijn dimensies als geworteld in en gericht op God. Daarom kan er van een beetje Godsgeloof evenmin sprake zijn als van een beetje zwangerschap.
Van terugkeer naar religie en God is er daarom nog geen sprake als sommige groepen weer de waarde van rituelen ontdekken of op zoek gaan naar hun ware zelf in kloosterweekends met Yoga en Zen.”
Een benadering als deze van het ‘grote raadsel’ van de huidige veranderingen in het beleven van religie doet me de noodzaak van een diepgaande analyse scherper inzien en waarschuwt me om me niet al te gemakkelijk te laten leiden door constateerbare signalen van een terugkerend Godsgeloof in onze wereld. Met alle respect voor gelovige getuigenissen die me via vele kanalen bereiken en ook in de nieuwe missiebrief te lezen zijn, kan ik (nog?) niet aannemen, dat die het ‘grote raadsel’ oplossen en tot een terugkeer van God in onze samenleving gaan leiden.
Op grond van de voorgaande geloofsbeleving en vragen in mijn leefomgeving deel ik de mening van velen, dat de huidige cultuurbreuk zó diepgaand is, dat in onze beleving van religie en in onze Gods-dienst een terugkeer naar het verleden niet mogelijk is. Al lang heeft me de vergelijking geïntrigeerd van onze tijd met die van ‘de herfsttij der middeleeuwen’ die Huizinga zo meesterlijk heeft beschreven en me in mijn jonge jaren zo heeft geboeid. Beleven we opnieuw een eeuw van zo’n herfsttij, waarin restanten van het verleden worstelen met inzichten en verworvenheden van een nieuwe tijd? Als dat zo is, leert de geschiedenis ons, dat we de drempel van een nieuwe tijd hebben overschreden en dat deze stap geen weg terug meer toelaat. Wat dat betekent voor onze kerk moet zich nog gaan uitwijzen. Maar ik val Ton Baeten bij, die in MV-NU van augustus j.l. zei: “De volkskerk zoals we die lang gehad hebben is definitief voorbij. Er komt in de toekomst een heel andere kerk.”
Hoe heeft deze beleving mijn missionaire werk beïnvloed?
De aanloop op mijn werk.
In mijn studententijd in de vijftiger jaren van de vorige eeuw vielen de eerste trillingen van de komende geestelijke aardbeving al te signaleren. Bestaande vormen van pastoraat en missionering kwamen onder druk te staan. Als gevolg hiervan zagen we een aantal medebroeders uitwijken naar parochies in Duitsland waar hun werk nog gewaardeerd werd. Ook groeide onder meerderen van ons - ook van mij – de belangstelling om in Brazilië te gaan werken, want daar was onze inzet welkom en waren we nodig. Speelde daarin onbewust mee, dat we een ‘aardbeving’ in onze cultuur voelden aankomen en de bedreigingen hiervan voor ons werk binnen onze eigen kerk probeerden te ontlopen? In ieder geval trad een toenemende onzekerheid in ons midden op. Dit uitte zich in de versnellende uittrede van velen uit ons midden maar leidde ook tot een diepgaandere reflectie en een meer bewuste keuze van degenen die bleven, om de uitdagingen tegemoet te treden.
De eerste schreden.
De start van mijn werkzaamheden is niet gepland maar was afhankelijk van een aantal kansen, dat zich concreet voordeed. Via mijn belangstelling voor Latijns Amerika kwam ik zo in de missionaire beweging terecht. Deze beweging werd geconfronteerd zowel met de kerkontwikkelingen in Nederland als met de veranderingen in de zuidelijke wereld. Vandaar dat het accent sterk verschoof van het ondersteunen van projecten en missionarissen in de ‘Derde Wereld’ – zoals dat toen ging heten – naar de missionaire educatie. Dat kwam onder andere tot uiting in het jaarlijkse collecteschema. Uit de veelvuldige collectes werd een jaarschema vastgesteld met drie hoogtepunten, waaraan nadrukkelijk een educatief programma werd gekoppeld: de oktobermaand voor ‘Missio’/PMW met als thema de missieopdracht van de kerken en hun onderlinge solidariteit, de Vastenaktie in het voorjaar met als thema de dienst van de kerken aan de wereld, en de Pinksteractie voor de ondersteuning van onze missionarissen. Het was met name de taak van de diocesane missiesecretariaten om die educatie vorm te geven en de omslag in denken en doen te bewerken in de parochiële en dekenale groepen.
In 1969 werd ik missiesecretaris van het bisdom Roermond en daarop terugkijkend kom ik tot de volgende vaststellingen.
Binnen onze kerk hield de vergrijzing van de missiegroepen gelijke tred met die van de kerkbezoekers. Jongeren konden niet meer warm gemaakt worden voor deelname aan het missiewerk, tenzij het ging om een eenmalige actie voor een plaatselijke missionaris. Wel lukte het - al kostte dat veel moeite - om deze groepen op een nieuw spoor te zetten: van de zorg voor de eigen plaatselijke missionarissen naar de solidariteit met het land en de kerk waarin ze werkzaam waren. Ook slaagden we er in om hun via informatie en aangepaste werkmodellen duidelijk te maken, welke veranderingen er in die kerken en landen plaats vonden en hoe hun mogelijkheden en problemen verbonden waren met onze eigen situatie.
Bij mensen die minder of niet meer betrokken waren bij de kerk, konden vanuit onze kerk wel aanknopingspunten gevonden worden voor het werken aan de bestrijding van de armoede in de wereld en aan het ter discussie stellen van de structurele mondiale problemen daarbij. Daar is op ingehaakt en zo kon het werken aan de vastenaktie aanmerkelijk groeien. Daarbij is gepoogd om ook onze evangelische boodschap van Gods handelen in onze wereld en het belang van de kerken als inspiratie- en krachtsbronnen ter sprake te brengen, maar met de afname van de kerkbetrokkenheid kwam dit steeds minder over; men had wel waardering voor wat de kerken deden maar voelde zich niet aangesproken door wat de kerken in wezen pretendeerden te zijn. Daaruit is te verklaren, dat de actie in oktober voor Missio/PMW nooit de vastenaktie kon evenaren. Hierin ligt dus ook het antwoord op het vaak geuite verwijt aan de werkers in het veld, dat ze zich alleen maar inzetten voor ontwikkelingssamenwerking en de opdracht van evangelisatie en kerkopbouw verwaarloosden: ze hebben die opdracht niet verwaarloosd maar ze vonden er - tot hun teleurstelling en vaak ook tot hun frustratie - nauwelijks of geen gehoor voor.
Groeiende belemmeringen bij de missionaire educatie.
Twee factoren zijn de missionaire educatie ernstig gaan belemmeren. De eerste factor is de groei naar grootschaligheid in onze organisaties. Deze groei heeft voordelen op het gebied van krachtsbundeling en ze is ook nodig om een stem te kunnen behouden in het publieke debat. Maar de educatieve vorming heeft er onder geleden. Grote organisaties zijn sterk afhankelijk van de grote media om zich te profileren en in hun campagnes moeten ze tegelijk ook propaganda maken voor zichzelf als organisatie. Deze propaganda staat in een zekere concurrentiepositie met de heldere profilering van de inhoudelijke boodschap van de organisatie, omdat de boodschap kort moet zijn zonder al te veel nuanceringen en omdat de ontvanger van de boodschap voor de organisatie geïnteresseerd moet worden en dus niet geïrriteerd mag worden. Deze eisen beperken de mogelijkheden van een missionaire educatie, die procesmatig moet werken en een helder profiel van onze missieopdracht dient over te brengen, waarin de boodschap centraal staat en niet de ontvanger.
Dat brengt me tot de tweede factor. Door het bezuinigen op het veldwerk aan de basis en het uiteindelijk grotendeels wegvallen van dit werk, heeft de missionaire educatie aan kracht ingeboet. Men heeft dit veldwerk kwantitatief willen meten op resultaten en daarin is men naar mijn mening te ver doorgeschoten. Ik heb dit werk vele jaren gedaan en weet, hoe moeizaam educatieve processen verlopen en hoe moeilijk het is om resultaten binnen een bepaalde termijn te bereiken en om ze kwantitatief te meten. Ik denk daarom, dat het onjuist was om te veel meetbare resultaten te eisen en om - bij het onvoldoende kunnen aantonen daarvan - te bezuinigen op de inzet van veldwerkers. Daarbij moeten we ons ook realiseren, dat er door het wegvallen van deze inzet ook een vervreemding is opgetreden tussen onze organisaties en hun draagvlak. Op termijn schaadt deze vervreemding niet alleen onze missionaire educatie maar kan ze ook gaan doorwerken in de financiële opbrengsten van de organisaties.
De confrontatie met de mondiale spanningen in onze wereld.
Sterk bepalend voor ons missionaire werk is de confrontatie geweest van onze kerk met de gevolgen van de economische en politieke ontwikkelingen in onze wereld. We werden in 1968 gealarmeerd door de bisschoppen van N.O.Brazilië met hun pastorale aanklacht: “Ik heb het weeklagen van mijn volk gehoord”. Hierin werd gewezen op de ‘zondige’ structuren van de economie en de politiek, waarvan miljoenen mensen het slachtoffer waren. Deze oproep werd in de decennia daarna door vele andere uit andere landen gevolgd; ik hoef maar landen te noemen als Chili, Salvador, Nicaragua, de Filippijnen om de herinnering hieraan bij u op te roepen.
Het CELAM (conferentie van de bisschoppen in Latijns Amerika) en de CLAR (conferentie van de religieuzen in Latijns Amerika) namen overtuigend hun positie in en afzonderlijke bisschoppen lieten hun protesten en oproepen wereldwijd horen, vaak met gevaar voor eigen leven zoals de moord op Oscar Romero ons duidelijk maakte. Velen binnen de missionaire beweging en met name de religieuzen gaven aan die oproepen gehoor. Uiteraard deelden ze daarmee ook het lot van de mensen binnen de bewegingen, die hun stem tegen het onrecht lieten horen en er actie tegen voerden. Ze werden stelselmatig door de heersende economische en politieke krachten en hun aanhang - meer op grond van het beschermen van hun eigen rust en veroverde posities dan op grond van geloofsargumenten - ervan beticht leden te zijn van het ‘godloos communisme’. Het heeft hen en velen van ons gegriefd, dat de centrale kerkelijke leiding zich daarbij aansloot of minstens leek aan te sluiten en meende zich van deze bewegingen te moeten distantiëren. Dit werkte in onze hele kerk sterk door. Zo beleefde ik persoonlijk, dat aan kardinaal Arnz van São Paulo het spreken op de UTP door de bisschop van Roermond niet werd toegestaan en hij een plaatsvervanger moest sturen. Door benoemingen en andere maatregelen werd deze missionair bewogen roep om gerechtigheid - naar mijn mening slechts tijdelijk – systematisch gesmoord.
Deze oproep werd door behoudende groeperingen kennelijk gezien als een gevaar voor de kerk en niet als een wezenlijk bestanddeel van de ‘caritas’, waartoe ze met krachtige woorden opriepen (niet verwonderlijk was het, dat ze hiervoor een opvallende steun kregen van machthebbers van neoliberale huize). Maar niettemin werd de oproep verstaan door mensen, die de moed hadden zich persoonlijk te laten confronteren met de brute werkelijkheid. Daardoor konden zij boven de kerkpolitieke discussies uitstijgen en solidair worden met de ‘armen en verdrukten’ waarvoor in onze gelovige traditie zoveel aandacht wordt gevraagd. Om die reden vind ik, dat het bevorderen van die confrontatie door uitwisselingen van mensen uit Noord en Zuid of anderszins een belangrijke plaats op onze missionaire agenda dient te behouden. Want dit draagt bij aan de geloofwaardige houding van onze kerk tegenover de mondiale problemen van armoede en onrecht, die een grote uitdaging blijven voor haar missionaire opdracht. Die opdracht houdt immers een boodschap van ‘gerechtigheid’ in, die gedragen moet worden door een zich ontledigende naastenliefde, door moed en een groot Godsvertrouwen.
Ons omgaan met spanningen en polarisatie.
Met het voorgaande raken we het punt van de spanningen binnen onze kerk, die niet alleen in onze lokale kerk maar ook elders tot uiting kwamen in een sterke polarisatie. Ook het missionaire werk heeft geleden onder deze spanningen en de daaruit voortkomende polarisatie. Onenigheid was er over de te volgen route en over de accenten die in het missionaire werk gelegd moesten worden. Dat verschil van mening bestaat nog. Zo wordt in de laatste missiebrief wel terecht de nadruk gelegd op de noodzaak van evangelisatie maar ik vind, dat dit wel erg sterk gebeurt en ten koste gaat van de aandacht voor de missionaire dienst van de kerk aan de wereld. Met anderen vind ik dit een tekort en verschil ik dus van mening met de brief. Want wanneer ik dit tekort combineer met het feit, dat ook in onze kerk vanwege bezuinigingen het missionaire kader wel erg sterk ingekrompen is in verhouding met andere sectoren, vrees ik dat dit samen het risico oproept van een te binnenkerkelijk gerichte aanpak. Maar mag dit verschil van mening niet bestaan?
Het begrip ‘polarisatie’ heeft een negatieve lading, omdat tegengestelde polen elkaar afstoten en de daardoor ontstane spanning al gauw leidt tot conflicten en de afbraak van eensgezindheid en vrede onder elkaar. Toch waag ik het om als positieve zijde van de polarisatie te noemen, dat zij de kern van onze gelovige overtuigingen en daaruit voortvloeiende standpunten scherp ter discussie stelt. De verschillen worden duidelijk en we worden gedwongen om de waarde van de verschillende opvattingen met argumenten en geloofwaardige praktijken te onderbouwen. Het probleem lijkt me dan ook eerder te liggen in ons ómgaan met de polarisatie. Een goed omgaan met spanningen vraagt om een geduldige luisterhouding en een eerlijke openheid tegenover elkaar. Daarin hebben we nogal eens gefaald en dat heeft geleid tot de negatieve effecten van de polarisatie. We hebben ons niet genoeg tijd gegund om elkaar te leren verstaan en tot een evenwichtige synthese met elkaar te komen en daardoor hebben we ons laten verleiden tot het plakken van etiketten van verdachtmakingen en onterechte veroordelingen.
Dit laatste mis ik tot mijn vreugde in de recente missiebrief. Maar met enige teleurstelling mis ik er ook een positieve oproep in tot een open dialoog en een oprechte luisterhouding, binnen onze eigen kerk maar missionair gezien vooral met anderen. In de brief is er sprake van de oecumene in de 21ste eeuw en van de interreligieuze dialoog maar deze passages zijn praktijkgericht en ik ontkom niet aan de indruk dat inhoudelijk aan de dialoog grenzen worden gesteld ten aanzien van geloofsformuleringen en geloofsbelevingen. Bovendien vraag ik me af, of en hoe wij de dialoog aan willen gaan met geseculariseerde mensen en groeperingen binnen ons land. In de brief wordt er terecht voor gepleit om duidelijker aanwezig te zijn bij de debatten over ‘religie’ die momenteel opvallend veel worden gevoerd. Maar hoe nemen we daaraan deel? Willen we in alle oprechtheid achterhalen, wat er in mensen van nu omgaat in het zoeken naar zingeving, hoe hun zinbeleving voor ons ook vindplaatsen van geloof kunnen zijn tot eigen verrijking, en hoe we ons zoeken naar zingeving met hen kunnen delen? Ik proef op dit punt in de missiebrief een bepaald eenrichtingsverkeer van ons naar hen en te weinig de wederkerigheid van hen naar ons. Daarover zouden we nog wel eens met elkaar kunnen nadenken. Te meer, omdat ik een dergelijke dialoog ook zie als een vorm van een interne en externe ‘evangelisatie’ waarvoor de brief een pleidooi houdt.
De deuren wagenwijd open.
Als een positief punt lees ik in de recente missiebrief, dat gepleit wordt voor ‘De deur wagenwijd open’ en voor een missionaire presentie op verschillende manieren (zie p.11). Maar de opmerking hierbij dat ‘we doen alsof we een schuilkerk zijn geworden’ doet geen recht aan het werk van de missionaire beweging tot op dit moment. Vooreerst is er een netwerk van ‘Urban Mission’ in Nederland en België, dat juist de missionaire presentie probeert vorm te geven. Vervolgens mogen in dit verband de acties genoemd worden, waarvoor parochiële groepen en anderen zich met veel creativiteit in de voorbije periode hebben ingezet zoals: solidariteitsmaaltijden, kritisch consumeren, alternatief beleggen, intercultureel bijbellezen, verdieping via missionaire vormingsprogramma’s en andere (geen van de zestien tips in de brief verwijst overigens hiernaar). Ook de missionaire initiatieven van de religieuzen (die met meer bezig zijn geweest dan het opheffen van kloosters!) dienen hierbij aandacht te krijgen, zoals: de oprichting en ondersteuning van het Missionair Centrum, dat meer dan 25 jaar missionaire vorming heeft gegeven volgens het model van Paulo Freire en zich met name het lot van vluchtelingen heeft aangetrokken; de oprichting van de stichting ‘Missie en Jongeren’, die al decennia lang de uitwisseling van jongeren van hier en jongeren in zuidelijke landen verzorgt en begeleidt; de betrokkenheid bij de groepen van ‘Vrouw, geloof en leven’ en de oprichting van de ‘Stichting Religieuzen tegen Vrouwenhandel’; de ondersteuning van meerdere missionaire/diaconale projecten op regionaal niveau. Deze activiteiten wijzen niet op een ‘schuilkerk mentaliteit’ maar op een dynamisch getuigenis, waarmee onze deur in de voorbije decennia al wagenwijd werd opengezet.
Een verwijzing hiernaar was zinvol geweest, mede om de volgende reden: zowel voor de leden van de ‘nieuwe bewegingen’ waarvan de brief melding maakt, als voor de religieuzen uit het Zuiden die ons komen assisteren, is het van belang, dat ze aansluiting zoeken bij de reeds bestaande ontwikkelingen tot nu toe. Het CMBR (Centraal Missionair Beraad Religieuzen) heeft hieraan sinds 2000 aandacht besteed en op dit vlak heel goed werk verricht. Het is daarom aan te bevelen om kennis te nemen van zijn aanpak en ervaringen, die onder andere zijn beschreven in zijn recent uitgegeven rapportage ‘Kleurrijk Religieus Leven in Nederland’.
Hoe nu te ‘getuigen van de hoop die in ons leeft’?
De missiebrief van 1974 heeft me bij mijn werk kunnen inspireren en heeft me richting gegeven, Ik hoop, dat de nieuwe brief die functie ook mag hebben voor de huidige werkers in het missionaire veld. De voorafgaande kritische opmerkingen en suggesties dienen in dit perspectief geplaatst te worden. Met het oog op de toekomst voeg ik er nog enkele algemene overwegingen aan toe.
Geen stap terug naar het verleden.
De brief kan gelezen worden als een oproep om met moderne middelen de kerk te restaureren met een blik naar het verleden en vanuit een heimwee naar de hechte zichtbare eenheid en de oude zekerheden. Als hij zo gelezen en gehanteerd wordt, zijn we – wat ik noemde – terug bij af van vóór 1974 en we weten dat die terugkeer niet mogelijk is. Maar bovendien draagt zo’n poging in onze onzekere tijden met zijn groeiende hang naar houvast, het risico in zich dat er een dogmatische krampachtigheid gaat optreden, die leidt tot een fundamentalistische houding en gedrag. Volgens de trendwatcher Adjiedj Bakas (Trouw 18.09.06) is het christenfundamentalisme in de USA al langer een belangrijke kracht en sinds de opkomst van Islam in West Europa zal dat volgens hem ook op ons continent de kop opsteken. De eerste uitingen hiervan kunnen we al signaleren. Daarnaast bestaat het risico dat de brief gaat leiden tot extreem charismatische en evangelicale belevingen, die uitstijgen boven onze wereld en daarbij onze missieopdracht in de wereld verwaarlozen ten gunste van een persoonlijk heilsbeleving.
Het vermijden van deze beide risico’s zal niet eenvoudig zijn, want volgens dezelfde Adjiedj Bakas hebben de orthodoxe en charismatische religies in onze eeuw de toekomst en zullen ze verder groeien. We dienen er dus voor te waken, dat de brief niet met de rug naar de toekomst gelezen en gehanteerd gaat worden.
De stap naar de toekomst.
Met veel anderen deel ik de zienswijze, dat we definitief over de drempel van een nieuw tijdperk zijn gestapt en de vraag is dan: kan de brief een hulp zijn bij het uitvoeren van onze missieopdracht in dit nieuwe tijdperk? In het blad ‘Tertio’ (15.11.06) las ik over het evangelisatiecongres Brussel-Allerheiligen: “Wil het congres blijvende vruchten afwerpen, dan is inzicht nodig in wat vandaag wezenlijk is voor een geslaagde evangelisatie. Vier lezingen handelden over de vier kerntaken van de kerk: dienstbaarheid, verkondiging, liturgie en gebed. Hoe verscheiden de achtergrond van de sprekers en hoe verschillend ook hun thematiek, opvallend gelijkluidend was de oproep om de tegendraadsheid van het evangelie in de actuele cultuur niet te verdonkeremanen. Niet uit afkeer voor de wereld maar precies ten dienste van die wereld.”
De dominicaan Timothy Radcliffe (voormalig generale overste), een van de sprekers, benadrukte echter in zijn voordracht, dat het evangelie weliswaar iets nieuws en verrassend brengt maar dat je dit mensen niet kunt bijbrengen als je ze niet eerst helemaal en van harte erkent zoals ze zijn, met de identiteit en de waarden die ze zelf belangrijk vinden. “We moeten resoluut Christus durven verkondigen, zei hij, maar tegelijk nederig ons oor te luisteren leggen voor de kleinste aanwijzing van waarheid bij wie niet of anders gelooft.” Het evangeliseren vereist daarom een vernieuwing van de kerk. “We kunnen, vervolgde hij, tegen de evangelisatie zoveel geld aangooien als we willen, het zal niets uithalen, tenzij we sterven en herboren worden als geloofwaardige, zij het fragiele getuigen.”
Als de missiebrief met deze instelling gelezen en gehanteerd wordt, kan hij een goed instrument zijn voor ons missionaire werk. Dat stelt ons dan wel voor de opgave om samen opnieuw ‘kerk’ te worden in onze hedendaagse cultuur: geloofwaardig en kwetsbaar, met een luisterhouding, geduld en uithoudingsvermogen, niet vertrouwend op kwantitatieve getallen maar op de kwalitatieve werking van Gods Geest.
Ter afsluiting
Henri Nouwen schreef over ons getuigen van de hoop: “Terwijl naïef optimisme ons de valse verwachting geeft dat binnenkort alles beter zal uitpakken, bevrijdt de hoop ons van de behoefte de toekomst te voorspellen en stelt hij ons in staat in het heden te leven, in het rotsvaste vertrouwen dat God ons nooit in de steek zal laten maar de diepste verlangens van ons hart zal vervullen” (Spiritueel Leven, Tielt 2006, p. 164).
Laat deze hoop ook onze stuwkracht zijn bij de uitvoering van onze missie.
|